Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig oefening met die opneming zelf, zal men spoedig op het terrein leeren zien, waar men voor de opneming-meer punten noodig heeft en waar men met een geringer aantal kan volstaan' pm overal de vereischte nauwkeurigheid te verkrijgen, zonder de -meting door de opneming van te veel punten langwijlig en kostbaar te maken.

§ 221. Het ontwerpen van hoogtelijnen op bestaande kaarten,.

Bestaat er van het terrein, waarvan de hoogtelijnen moeten opgenomen worden, eene kaart op de vereischte schaal, dan kunnen die lijnen daarop geconstrueerd worden. Men heeft dan slechts de hoogten te bepalen van de verschillende punten van het terrein, die op de kaart voorkomen, om deze onmiddellijk daarop te kunnen overbrengen. Daar, waar deze punten niet voldoende zijn, zal men nog van 'andere punten de hoogten bepalen en deze in kaart brengen, door hunne plaats te bepalen ten opzichte van de op de kaart aanwezige lijnen en punten, met zoodanige nauwkeurigheid, als voor het doel noodig is.

De wijze, hoe de hoogten der punten bepaald worden, is verschillend al naarmate van het doel der meting, de vereischte nauwkeurigheid en de gesteldheid van het terrein.

Bij een vlak terrein kan de bepaling van de hoogten- dei1 punten' het best door waterpassing geschieden. Men begint dan daarbij met langs de hoofd- en andere wegen door het op te nemen terrein nauwkeurige waterpassingen uit te voeren en aan de punten van bekende hoogte aan te sluiten. Bij deze waterpassingen zal men zorgen een zoo groot mogelijk aantal vaste punten te verkrijgen, om daarvan bij de verdere metingen te kunnen uitgaan; men zal daartoe bij vaste bouwwerken nauwkeurig de hoogten van gemakkelijk terug te vinden punten opnemen of kruishouten inslaan en de hoogten hiervan bepalen-, op. en langs de wegen zal men de zich daar bevindende mijlpalen , grenssteenén als anderszins in de waterpassing opnemen; waar deze niet aanwezig zijn, kan men in enkele boomen kruishouten slaan of waar deze ook mochten ontbreken, zal men door het inslaan van flinke houten piketten of gasbuizen van 1. a 1-5 M. lengte zich tijdelijk vaste punten verschaffen. Is deze hoofdwaterpassing, die als het ware het geraamte of het net van de opmeting-vormt, afgeloopen, dan kan men tot de eigenlijke meting overgaan, waartoe men aaneengeschakelde waterpassingen tusschen de verschillende vaste punten uitvoert en bij iedere standplaats -van het instrument zooveel in den omtrek gelegen punten opneemt, als van daaruit bepaald kunnen worden. •

Sluiten