Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 222. Het opnemen van hoogtelijnen door middel van lengte- en dwarsprofielen. Bestaat er van het op te-,nemen terrein geen kaart, dan moet de hopgtebepaling gepaard gaan met de bepaling van de horizontale projecties van de punten. Dit kan geschieden door middel van lengte- en dwarsprofielen of volgens de in § 151 geschetste wijze van opnemen volgens de voerstraal-methode.

Bij een lang gestrekt terrein, zooals dat veelal voorkomt bij het ontwerpen van spoorwegen en van andere gemeenschapswegen, neemt men in de lengte van het terrein een lengteprofiel op en rechthoekig daarop eene menigte dwarsprofielen op de wijze, als in § 202 is aangewezen.

Als men deze lengte- en dwarsprofielen werkelijk teekent, dan kan men, door daarin lijnen te trekken op de hoogten, overeenkomende met de te construeeren hoogtelijnen, onmiddellijk punten dezer lijnen bepalen en in de kaart overbrengen.

Bij het opnemen van eene geheele landstreek op deze wijze moet men eerst door een net de begin- en de eindpunten der profielen in horizontale^ projectie vastleggen en door eene waterpassing de hoogten vari eenige vaste punten bepalen, waarvan men bij de opneming van dê profielen uitgaat.

§ 223. Het opnemen van hoogtelijnen met den als afstandmeter ingerichten theodoliet. De thans meest gebruikelijke wijze van opmeten is in de § 151 geschetste opneming met den tot afstandmeten ingerichten theodoliet. De grootheden, die daarbij gemeten moeten worden om de punten niet alleen in horizontalen maar ook in verticalen zin volkomen vast te leggen,' zijn daar ter plaatse reeds opgegeven.

Dezelfde methode van opmeting kan natuurlijk mede gevolgd worden, wanneer men gebruik maakt van een waterpasinstrument, dat niet alleen van de in § 185 beschreven micrometerschroef, maar tevens van een horizontalen rand voorzien is; daarmede toch kunnen eveneens horizontale hoeken, afstanden en hoogteverschillen bepaald worden, mits deze laatste niet al te groot zijn, daar de schroef meestal slechts het meten van elevatiehoeken van + 4° toelaat.

Bij de opneming van eene geheele landstreek zal men beginnen met deze eerst met een net te overdekken, waarvan de hoekpunten de latere standpunten van het instrument zullen zijn In de nabijheid van ieder punt wordt een piket geslagen en worden vervolgens de hoogten van al deze piketten door waterpassing bepaald. Bij de detailmeting plaatst men nu eerst de

Sluiten