Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fig. e, dan is, aangezien daar ter plaatse de invloed van de excentriciteit in absolute waarde evengroot en =s zal zijn, het verschil II' — I' + 180° = q: [

q = 3 — 2 e.

Uit beide vergelijkingen volgt:

p-\-q = 22, p — q =é= 4 e.

Verrichten wij eenige aflezingen (*), die wij om later te vermelden redenen gelijkelijk langs den cirkelrand verdoelen, dan kunnen wij telkens uit aflezingen, die 180° verschillen, eene waarde van 2 3 en tevens de waarde van 4 e daar ter plaatse berekenen. In de tabel op blz. 413 zijn voor een microscooptheodoliet in de eerste vier kolommen de aflezingen verzameld, die om de 10 graden aan beide microscopen zijn verricht; (bij de aflezingen II en II' zijn de graden, die 180° verschillen met die van I resp. I', gemakshalve weggelaten), in de 5de en 6de kolom zijn de verschillen p en q en daaruit in de beide volgende kolommen de waarden van 2 3 en 4 e berekend (* *).

In fig. f zijn de waarden van p en g grafisch voorgesteld.

De meest waarschijnlijke waarde 2 A van 2 3 wordt berekend met behulp vaii de formule voor directe waarnemingen met gelijk gewicht (27) blz. 351:

[2 3] . — 4',5 n, L

2 A = -—- = — = — 0,2o

n 18 18 '

en dus:

A = —0',125.

De middelbare fout in de enkele waarde van 2 3 is, zie (33) blz. 352,

V[£2] . n — 1

hierin is, zie de tabel:

(*) Voor de inrichting der aflezingen zie men de opmerking aan het einde>an deze paragraaf.

(* *) Deze berekeningen worden gecontroleerd door samentelling van de minuten in de verschillende kolommen: (zie de tabel op blz. 413).

[XI] - [I] = lp], IXT] — [V] = [ff]; terwijl ook lp] + W = [2 3] en [j>] — [?] = [4 S].

Sluiten