Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men bedenke echter bij het aflezen aan een nonius; dat de invloed van de excentriciteit wordt bepaald niet ter plaatse van het nulpunt van den nonius, maar ter plaatse waar de strepen van den nonius samenvallen met de randstrepen.

Fouten in de lengte van de noniussen (c. q. in de lengte van de fijne verdeeling van de microscopen, of in den gang van de micrometrische microscopen) kan men ontgaan door steeds ongeveer op dezelfde plaats van den nonius (c. q. van de fijne verdeeling of van de schroef) af te lezen.

§ 247. Secundaire driehoeksmeting (•). Eene van de voornaamste toepassingen van de methode der indirecte waarnemingen is die op de secundaire driehoeksmeting en wel bij het verbinden van ieder punt afzonderlijk aan de hoekpunten van het groote net of aan andere reeds vastgelegde punten (verg. § 139, blz. 175 onder 2°).

Wanneer men namelijk bij- het meten alleen in de bekende punten (verg. § 143) van uit meer dan twee punten naar het onbekende punt P heeft gemeten, of wel wanneer men bij het meten alleen in het onbekende" punt P de hoeken heeft gemeten tusschen de richtingen naar meer dan drie bekende punten, zoo zou men, volgens de methoden in § 142 en § 144 beschreven, verschillende waarden voor de coördinaten van het punt P kunnen berekenen; volgens de methode der kleinste vierkanten kan men dan de meestwaarschijnlijke plaats van het punt bepalen.

Bij de verdere behandeling van het vraagstuk zullen de verschillende gevallen afzonderlijk worden besproken.

I. De metingen hebben plaats gehad alleen in de bekende punten.

Voor de coördinaten van het punt P worden benaderde waarden X0 en Y0 berekend met behulp van de metingen in twee van de bekende punten (zie § 142). Bij de keuze van de metingen voor de berekening van X„ en Y0 dient men er op te letten, dat de te berekenen waarden in het algemeen des te nauwkeuriger zullen zijn, naarmate de hoek in P tusschen de richtingen naar de twee bekende punten minder van 90° verschilt en naarmate de afstanden van P tot genoemde punten kleiner zullen zijn.

Zij in fig. g (***) XOY het coördinatenstelsel, A, (Xlt Yx),

(*) Zie ook: „Bijlage Q van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs". O Zie de uitslaande plaat aan het einde van dit Aanhangsel.

Sluiten