Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DROOGTE.

Er rinkelde geen enkele wind baldadig tegen den blauw-metalen hemel.

Het vilten blad der perelaren hing loom en kleintjes.

Een beukenlaan verrees in de luie landen als een sidderende, groen-warme heuvel.

Rekkende rupsen vochten om een poovere buit: de drie laatste blaadren van een bessenstruik.

Dof viel een doode appel-vrucht in het zand, dat verstoof als buskruit-rook.

Tirailleerende militairen met geweren kropen in de verte tegen de hoogten: trage poppetjes met blinkende priemen, sluipend door veel goud.

Alleen een sergeante-stem kraaide in de dorre stilte een arrogant, schril-luid commando.

De sparren stonden onbewogen, donker en norsch: driehoeken op de gaaf-blauwe hemellei.

Een schaarsche zwaluw gleed spits-kogelig door de hitte-stolp. waaruit geen vlieg kon ontsnappen.

Uitdagend feestte een felle papaver tusschen de moedelooze rogge; een fazantehaan krijschte schor in den schaduw der hooge wit-gezengde grassen.

Een tuinhekje knarste : een forens zag naar zijn laatste levende tuinvrucht.

Sluiten