Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOUDEN WINTEROCHTEND.

Het schemerde bij de rechte, stil-geduldige beuken en de maan, een blij-metalen schilfer, sikkelde zoo licht boven de donkere geslotenheid der sparren. De jeneverbessen rezen als zwarte, strakke soldaten, onbeweeglijk en rijzig en ergens in de veiligheid van dicht-opeengedrongen dennen klonk de roep van een uil. Hij riep en hem antwoordde genoot of genoote. En het was, als bliezen er twee jongens op een uit pijpkruid gesneden fluit. De maan gleed voorbij de bedachtzaam voortschrijdende wolken en zocht haar weg naar de kimmen. Even hing zij in de kruinen der norsche bosschen als een flard van een lampion. Nog blonk van achter de ruiten van verre hoeven rustig hcht en het leek mij, of er kinderen in de vaalheid stonden te wachten met een lantaarn. Maar allengs, ten spijt van al de wazigheid, ontvonkte laag aan de lucht een kleur, die tintelde achter de rankheid van berken, ragfijn getwijgd. Dè kleur noodde een makker, makker riep vriend en dra huppelden boven een wolkenbank, vol lichtende spleten, talloos de tinten. Er waren er groen als gras; er waren er rood als een papaver; een violette kleur had een inkt-zwarte gebuur en al die fonkelingen, flitsen en glansen vereenden zich en gezamenlijk hieven zij zich boven de kim

Sluiten