Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat zij onmetelijk rijk waren. Een merel luisterde en een vreemde weemoed woelde in zijn hart. Nóg was het zijn tijd niet, maar hij vloog naar een hoogen sparrentop en overzag de wereld, verlangend naar nog meer gloed, naar nóg meer zoelte en genegen luwte, die ook dra zijn zang zullen wekken. Zwart stond hij op de lucht geteekend, een beeldje vol vrede en rustige schoonheid. Hij merkte de koele flanken der klingen, hij zag de kilheid der sneeuw, die was gebleven als een herinnering van den winter. Maar het deerde hem niet, hij wendde zijn oogen naar het goud, dat poederde en stoof bij de violette rijing 1 der berken en vlamde op de helderheid der wijde, ver zich strekkende, tot de eindelooze kimmen zich spreidende zandverstuivingen. Hij zag de dorpen en de lage daken der huizen, waar de pannen flonkerden als vischschubben. Hij zag en hoorde.... Hij hoorde spreeuwen jodelen en de melodieën drongen als een zangerige jubel tot hem door. Hij voelde het: dit was de lente, die te komen stond. Hij zocht naar een fijne uiting, een teeder woord. De herinnering dreef een klank naar zijn keel, maar hij was nog niet in staat hem klaar en parelend af te ronden, 't Geluid viel in de rust van den blij doorlaaiden dag als een gebroken brokkeldeun. Toen zweeg hij, onthutst en eenigszins verdrietig, wijl anderen hem vóór waren. Maar zijn moed verliet hem niet. Hij wilde wachten en wist, diep in zijn hart, dat het wonder zou gebeuren. Na enkele weken, na enkele dagen aflicht. En met ontroering zag hij hoe de knoppen der beuken zich rondden en zwollen, zwollen. Neen, die zouden niet lang

Sluiten