Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het koele seizoen zoo beveiligende, hulsels van duizenden bladeren, fijn geaderd, broos, teer en transparant, als wiekelden heel fragiele vlinders uit dorre cocons. De boomen morren niet, zij rijzen geduldig; nu zijn zij slechts sterk, intenskrachtig, maar straks, als de lente langs hen gaat, worden zij óók teeder.

Nóg juicht geen wéélde van bloemen in de weien; nóg zijn de velden niet rood van zuring of geel van dotters, maar tóch: in de zoele, verlepte, dorre grasruigte aan den voet van eikestruiken, die blijkbaar niet kunnen scheiden van hun ritselend bruin en ros blad en hun pooveren tooi behouden, tot de nieuwe loovers uitbotten, maken zich kleuren los : groene, blij-groene kleuren van paardebloem-bladeren. En over eenige weken zal een der meest driesten gaan bloeien, later een kaarsje vormen en onder het motto: Je sème a tout vent de komst der speelsche winden wachten. En ook de sneeuwklokjes zijn zoo in de weer.

Waarlijk: de goede teekenen vermeerderen zich eiken dag en nog in deze maand, nu het officiëel nog winter is en nu het ook nog inderdaad barsch en • barbaarsch wintert, kunnen de eerste weidevogels komen, die weer weldra in land en lucht hun liefdeleven zullen leiden. En omdat het voorjaar zóó nabij is — enkele weken slechts scheiden ons van de lente en vöor sommige planten en dieren is zij reeds begonnen — wil ik u alvast herinneren aan één vogel: de bonte, montere scholekster.

Van dezen vroolijken klant houdt ge, zoodra ge hem ziet stappen door het groene wei-gebied in zijn zwart-en-wit-pak, welbewust en overtuigd

Sluiten