Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGEN IN DEN AVOND.

De fijne kindervingers van den regen trommelden leutig op den bol gebogen rug der ruischelende beukenlaan.

Vóór het akkermaalshout, waar wierook walmde, stond schuw luisterend een hert en zijn huid was in den teedren schemer ros als sparreschors.'

Een konijn glipte over den boschweg, teekende met zijn pootjes zoo terloops wat figuurtjes in het natte zand en plukte een versche scheut, die bes tikt was met zilvren kralen, welke ook reeds voorkomen in sprookjes en schooljongens-opstellen.

Uit de handjes van een eekhoorn plofte dof een spar-appel, die viel tusschen de eikenstruiken : oude vrouwtjes met groene schorten, gehurkt zittend op den grijzen grond.

In de tuinen daagde het frissche rood der teacosies uit: aardbeien, die blonken tusschen 't bladermozaïek.... De kersen, de kleurige kopjes naar beneden, lokten steels-sluipende lijsters, die kwamen als dieven in den nacht.

In een heidepoeltje. uitgebuit en uitgezogen tot den laatsten droppel door de dol feestende bonviveur Zon. spiegelde zoowaar ten nieuwen male een zwaar-getwijgde berk.

Een specht inspecteerde 't mölodieuse weer, wierp zich in den muzikalen schemer, deinde door

Sluiten