Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEIDAG.

Als een vlam uit koude, doode sintels, als een liefde uit haat, is het fonkelend jaar geboren uit de norsche, rebelleerende schemers.

De pannedaken der stille hoeven liggen als amper-ademende, geweldige karpers, die flikkeren in 't waaiend, laaiend hcht.

Er bruischt een bolle bries van kim tot kim, die speelt met een pluis, een vlinder en een zwerfzieke vogelveer.

Een koekoek houdt zich in evenwicht op de strak-gespannen, glimmende telegraafdraden langs de gladde lijn, waar grommelende treinen glijden.

Door de blijde wijdheid van schaterende glans en schichten trommelt een ver kanon: een halsstarrig porder, die klopt op de doove hemelstolp.

Het vlierblad wemelt rusdoos voor mijn raam

gelijk een zwerm teer-groene libellen Een

spitse zwaluw zwiert en zwenkt en zingt na 't bandeloos gewiek een parel-klaar verhaaltje, de pootjes geklemd om een zwaar-gezwollen knop van een perelaar....

Achter een sparrebosch — er waait wierook van hars en van bloemen — rijzen vliegmachines als drokke horzels en hommels, die al de luchten vullen met hun zonnig, warm gerucht.

De heide hijgt als een ellendig-zieke, die zich

Sluiten