Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE VOGELS.

— Zoo tegen den winter, als vele loofboomen als een souvenir aan de gulden zonnetijden nauw één blad hebben behouden, dat als een vogel tusschen de strakke tak-tralies gevangen schijnt te zitten, — zoo tegen den winter, als alleen de sparren en dennen nog onverstoord staan te groenen en slechts wat halsstarrige beuken en eiken zich tooien met den verflensten pronk der harde, leer-achtige bladeren, is het een genoegen op 'een zonnigen dag, als de vorst de slijkerige wegen heerlijk-hard heeft gemaakt, eens om u heen te zien en te controleeren, of wezenlijk de natuur zoo doodsch is, als zij op den eersten aanblik lijkt.

Niet waar; alleen in den zomer en vooral in het voorjaar behooren de rechtschapen vogels, die in de boeken voorkomen, te zingen, maar ge behoeft niet eens opzettelijk uw oor te luisteren te leggen, om spoedig tot het inzicht te komen, dat er veel meer stemmen-jolijt rondom u is dan de offlcieele papieren bescheiden wel goedvinden.

Zelfs in den winter, wanneer, zooals vanzelf spreekt, het meest bruisend en borrelend leven is gedempt tot bescheidener en doffer uiting, tiereliert nog wel het lied en vooral het optimisme van spreeuwen lijkt bijkans onverwoestbaar.

Sluiten