Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze kunnen worden nagebootst. En al die gestolen tierlantijntjes verbinden zij zoo koddig, zoo gezond-humoristisch, dat zelf de meest verstokte donkerkijker daardoor in een fleurige stemming geraakt. En zij weten niet van uitscheiden, de zon koestert zóó kostelijk en zij doen, of het heusch voorjaar zal blijven.

Daar is nóg zoo'n johge kwant, een opgewekte snuiter, die des winters zingt dat het een lust is er naar te luisteren; ik bedoel den winterkoning, dat roestkleurige propje, dat één en al actie is, dat niet rustig kan zijn en steeds glipt en glijdt als een vlugge gladde kogel door alle mogelijke gaten en doorgangetjes in houtmijten, schuren eh hooischelven.

Klein-Jantje is de vogel-wording van de gezonde bewegehjkheid en zijn stem tiereliert in de trieste tijden als een hed van, hoop, dat hoog boven de somberte uitjuicht. Het is een geestig diertje en zijn koddig staartje heft hij wonderlijk-parmantig itt de lucht. Een treurende winterkoning, een winterkoning, die zich door het wilde seizoen laat intimideeren, is een onbestaanbaarheid. Hij is de vleeschwording der contante opgewektheid.

En de zang van den spreeuw en het deuntje van het duimpje zijn vreugde-uitingen in een periode, wanneer het onwelgezind getijde de laaiing van bhjde kreet en klare klanken bluscht. Deze vogels spinnen hun draden van fijn geluid tusschen herfst en lente en zoo ook hun hed niet parelde in den winter, zou dit seizoen veel van zijn rijke bekoring verhezen....

Ik spreek nu niet over de babbeltjes, rinkelingen

Sluiten