Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOUDEN FEBRUARI-DAG.

De afstand van den winter tot het voorjaar is nog slechts dertig dagreizen en op een hoeve-nok fluit een spreeuw dichtbij de warme rookveêr van een schoorsteen zijn dolzinnigst melodietje.

Het zelfbedwang der ranke berken, waar de meezen babbelen en zonnige deuntjes prevelen, is aandoenlijk: zij zwijgen roerloos, al is de zoen der lente al bijna op hun twijgen.

De schemer van kim en hoogen hemel smolt tot een eindloos blauwe zee vol fonkeling en zwart-fulpen vogel-vleugels staan er op geteekend als mouches op een teeder-gaaf gelaat.

Glimmende rails liggen in 't wijde heideland: gekanaliseerde, rechte watertjes van station tot station en over hun tintelend zilver glijden puffende treintjes zonder moé te worden.

Een vliegmachine drijft lijk een rustige reiger met oranje borstvlekken, grommelt, rommelt, horzelt met zomersch, zoel geluid en duikt dan achter wazig ver bosch.

Er zijn geuren rondom van dooi en wierookende aarde, die verlangens wekken naar pril en ruischelend loover, naar 't juichen van een merel en het wapperen van kievit s sterk-blije wieken.

Er zijn tinten, die weemoedig doen hunkren naar de parelende uitgelatenheid van een rijpen zomer....

Sluiten