Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOMERAVOND.

Uit de aarde sluierde zich de koele vlam van den dauw. die rees en rees en geluidloos klom langs de ruige schors der sparrestammen.

Een musch rustte na den vurigen, uitgefeesten dag op den top van wiegelende roggehalmen.

Achter de zwarte, massieve bosschen bloeide •— een laatste uitdagen vóór den dood ■— de roode laaiing van de zon, die ziek naar de kimmen zonk.

Nog zwenkte en zweefde en zwierde een zwaluw onder luchten, die allen gloed van hartstocht hadden gebannen.

Een windje, dat zich héél den dag bedeesd had moeten verschuilen in de zoele struiken, glipte uit zijn slecht-bewaakt gevang en neurde, bevrijd, een kinderwijsje in de stille kruinen, die niet meer op zijn laat bezoek hadden gerekend.

Het briesje riep een makker en op den akker schommelden de rechte grassen en de dommelende boterbloemen, die als gouden knoppen dreven op den witten dauw.

Van vlieren woeien in de woning zwoele geuren en geruischloos tuimelde een rozeblad in het weeke, glinsterende gras....

In den avond doofden de stemmen der menschen, de helle tinten der terra-cotta-daken en het gejodel der vooglen bloode.

Sluiten