Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen: nu was de winter dood, voorgoed en ik rook links en rechts de lente. En ik zag de lucht, die wonderheerlijke Hollandsche lucht zoo kostelijk-blij gespannen boven de wachtende aarde, waar de dampende, rijzige en trotsche paarden het scherpe ploegmes trokken en waarin het gistte en woelde en werkte.

De rhabarber kon zijn vreugden niet bedwingen en hij woelde zich uit de humus als een zware, zwellende knop. En ook in de greppels, waar al wilgenkatjes begonnen te donzen en zilveren en gave zuringblaadjes zoo pittig-groen blonken tusschen het dorre, in den herfst te hoop gewaaide loof der berken, weefde en werkte het voorjaar zijn wonderen.

Glanzende spreeuwen vlogen heen en weer en er waren dezen ochtend, toen ik de stad bezocht, er reeds aan het nestelen: hun zwarte takkenbouw, nog ijl en doorzichtig, was in de kale iepen opgehangen als een donkere heksenbezem. En, terwijl ik wandelde naar het landelijk stationnetje, was het musiceeren rondom mij algemeen: een leeuwerik, als een noot zittend tusschen de muziekbalken, die door de telegraafdraden werden gevormd, was zoo enthousiast aan het tieren en Sereheren en vierde het lentefeest, al was het officieel nog Sprokkelmaand.

Roodborsten floten de wereld vol zonnige üedsprankels en een winterkoning was een zomersche zingende prins. .

Het was lente geworden en haar prille bekoring bloeide open uit de nevels en de kilheid als een fijn, versch geluk, dat straks nóg meer zal groeien, bloesemen en blinken.

Sluiten