Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VALLENDE BOOMEN.

Dit was de eerste dag:

De groote winden stuwden hun blijheid door de beukekruinen, die bol stonden van uitbundigen bladergroei. Het vlammend zonnelicht wierp zijn rosse pijlen en pieken in de sterke stammen, wier breede voeten diep drongen in de goede aarde.

En naast de beuken rezen de splichtig-rechte sparren, waar de eekhoorn sprong van twijg naar twijg en waarin een bries een hed van zee en golven zong.

En naast de sparren verhieven zich de berken, slank en speelsch en kinderlijk; en onder hun takken pronkten paddestoelen met roode hoeden.

En. verder, klommen naar de lucht de nerveuse, sidderende populieren en zij zagen neer op de wilgen, die door de bijlen werden gehavend, jaar na jaar, maar die ondanks de telkens nieuw-g es lagen wonden het leven zoo hartstochtelijk hef hadden.

En langs de eindelooze wegen rijden zich de eiken en de olmen; in hun schaduw hepen de boeren, de kinderen en de stedelingen en zij dankten de goedgezinde boomen als het zomer was en het hcht zöb driftig brandde....

Sluiten