Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De krijschstem van een eenzaam reizenden reiger had een banaal, achterbuurtsch timbre.

Loopeendenl) kwekten bij een verre heidehoeve, omdat de stilte niet tegen hen sprak.

Bij de fundamenten van de schemering hief zich het kwart van een maan moeizaam boven den kim. Ze worstelde omhoog, maar legde, slak-traag, allicht per uur geen meter af; maar zij hield vol, brak een steen uit het witte schemerhuis en houweelde na drie uren geheel het blanke bouwsel naar beneden, dat zonder één klacht, één kermende kreet ter aarde stortte.

Een nachtegaal, dien men in den goeden ouden rhethorischen tijd philomeel durfde te noemen, trillerde in den lichtenden nacht zijn fijn-metalen tonen.

Een hond blafte tegen een strooper, die zwart en recht stond als een donkere, rijzige jeneverbes.

Er gleden speelsche glansen over de fluweelige veeren der droogloopers, de wind sprong uit zijn witgepleisterden kerker, holde naar het sparrenbosch en aan den hemelboom blonken de sterren: fonkelende bloesems van den Mei....

>) Zoogenaamde „droogloopers"

Sluiten