Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ergens in een ouden beuk zat een houtduif allerlentelijkst te koeren. De musschen werden drukker en rumoeriger en ik zag er al verdwijnen onder de pannen der hoevedaken, den snavel gevuld met veer en, die uit een peluw waren gestoven. En alom werd geploegd en gezaaid, alom werd de akker bereid. En boven de ploegen en boven de trekkende paarden en boven de spittende en plantende boeren trokken de zwervende goudpluvieren en de kieviten, die nog geen nestplaats hadden gevonden. De tuinen begonnen te herleven ; de rozelaars en perelaars, de vlieren en bessenstruiken, zij alle vertoonden zware, zwellende knoppen en hier en daar wapperden al voorbarige bladervaantjes. En natuurlijk zilverden reeds langs de spoorwegen de wilgenkatjes, mèt het speenkruid de meest geliefkoosde objecten, waarmee jaar-in jaar-uit — men vergeve mij de kleine onheuschheid — wordt gesold door schrijvers van natuurhistorische causerieën, samenstellers van schoolboekjes en examinators van zeer-verscheiden pluimage. Maar deze drie categorieën hebben den wilgenkatjes hun fleur en frischheid niet kunnen ontnemen en telkenjaar verrast hun lichte, klare vreugd opnieuw. Zij zijn niet grootsdn, maar boeien door hun vroolijken eenvoud, evenals het luchtig speeuwenlied, dat ge op uw dak kunt vernemen van 's ochtends vroeg, wanneer de eerste blauwe rookdraden uit uw schoorsteen omhoogkrinkelen, tot 's avonds, wanneer de zon vak bij de helgekleurde kimmen.

Maar bovenal herken ik het nieuwe seizoen, w$ turdus musicus, de zanglijster, zijn parelend lied reeds strooit naar her en der en vooral in

Sluiten