Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de avonden van de jonge lente, wanneer nog de waters kil rimpelen en de koele luchten nog herinneren aan den winter, jubelt luid zijn hed uit boven den dood en nood der onwelgezinde dagen. Dan, tronend hoog ten top der sparren, overschouwend héél het landschap in den omtrek, is hij als de incarnatie van een bijna vervulde belofte; dan is hij niet meer de stille duider en drager, maar gedreven door een blijden drang, zendt hij hartstochtehjk zijn hed uit, opdat het de lente met klem uitnoodige te komen en bloesems wakker te roepen en den wasdom te wekken in struiken en heggen. Dan is hij, de voorvoeler van het oude eeuwig-nieuwe gebeuren, een uitdagend minstreel, die wijl de luwe tijden niet verre meer zijn, uitbreekt in fluitend hed en zonnigen zang en van geen eindigen weet. Hij is niet schriel met zijn gaven en zijn overvloed stort hij uit over de aarde als een kwistig koning uit oude verhalen de blanke, rinkelende munt. Hij deelt zijn hed niet in keurige, gelijke vakjes in, maar, spontaan als een spreeuw, springt hij van den hak op den tak en hij ziet er zelfs geen been in — o, deze kostelijke communist! — een fijn muzikaal fragmentje te borgen bij een zijner vogelburen, dat hij echter zoo voortreffelijk weet voor te dragen, dat niemand hem den diefstal zal kwalijk nemen.

Maar welk een verschil tusschen het hed van turdus musicus en dat van den leeuwerik! Kan men den laatste vergelijken met een opgetogen kind, dat zijn vreugd om allerlei avontuurtjes uit in zangerig en zonnig gekleurde, naïeve babbeltjes, de blijheid van onzen lijster is feller en

Sluiten