Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGEN EN WINDDAG.

De wind hoestte in het Westen en had zijn handen gevuld met killen regen, waarmee hij de wereld sloeg.

De berken kleumden als tengere kinderen in de kou en een kraai werd norsch teruggedreven: een zwarte flard van een wapperende lap, die door den regen zwierde.

De grijsheid van den hemel was volmaakt en alle fijne fantasie van teedergekartelde wolken was er verdwenen.

En aldoor hoestte en blafte de wind als een zieke hond en slechts wanneer hij de telegraafdraden raakte, werd zijn stem wat zangeriger en stierf zijn schril gerucht tot melodieuse tevredenheid.

De boomen stonden naakt en rank en de koorden van zijn zwiepende zweepen waren rondom hun bloode en fragiele figuren als een constante tartende marteling.

Hij holde door de rosse loovers van beukenkronen, die zich ontsteld bewogen : kleurige, vérschrikte vogelwieken, parelend van vocht.

De regen was heden de gejaagde; hij werd gegeeseld naar het Oosten en hij was slaafs-gewiuig èn laf, wijl hij leed bracht al naar de wind het wenschte.

De druppels waren spits en kil: geslepen ijzel-

Sluiten