Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punten die doordrongen tot het hart van het zieke winterleven.

De trieste goudpluvieren scheerden den grond raékhngs; hun slanke lijven vochten volhardend met den wind en verwonnen hem.

Zij ruischelden door den regen en reisden van vaalheid tot vaalheid, gleden door de wijd-verlaten werelden als rustelooze zwervers, die vóór den avond geen steê voor slaap en veihgen vree verwachtten.

De wind klom hoestend over de heuvelen, sloeg hun koren-gele leden als met zware vlegels en het zich dan, moe van 't wreede spel, vallen in de delhngen, waar hij hijgend poosde....

Maar na een wijle rechtte hij zich, hij riep den grijzen regen te wapen en stormde uit de laagten, de verre verre, aldoor wijkende kimmen tegemoet.

En getweeën martelden zij de wereld: de slaaf en hij, die tot serviele dienstbaarheid den taffen zwakkere dwong.

Zóó was er door den dag gerucht van hitsend bevel en klagelijke kreten van wie leden onder de lage hemelstolp.

De kraaien zwierden als zwart-sombere lappen, de goudpluvieren floten hun verdriet en weemoed tot een zieke melodie en in de wereld stond de grijnzende haat als een alomtegenwoordig sculptuur gehouwen.

Sluiten