Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEI.

De zon begon te gloeien; een vochtige, fonkelende roos, die haar blaren openplooide en guldener werd én sidderender allengs. Zij worstelde met het witte kreupelhout der nevelen en hunkerde naar het open veld der hemelen. Zij verwon den norschen weerstand der blanke struweelen; zij hief zich hoog en ongeschonden en de blaren sloten zich weer tot een ronde, gave knop, die vonken uitzond en flonkeringen en vlammen.

De lichten werden gezonden als vreugdige gezanten naar alle zijden der wereld en hen ontvingen de tierelierende spreeuwen, de koerende duiven, de paarse pinksterbloemen en het blanke bloeisel der aardbeziën.

De glansen gingen stoetsgewijs, zij schreden voort in statigheid, zij huppelden als kinderen op een rij, zij dansten als een dolle jongensbent, zij drongen te hoop als samenscholende mannen en vrouwen, in hcht zomersch kleed.

De aarde lag verklaard; de sparren hieven versche scheuten als bruine kaarsen omhoog, de berken huiverden als menschen, in wie de liefde ten eersten male een blij-beangstigend geheim wekt en geëmerveilleerd — hoe wijd was de aarde en hoe wijd de hemel! — staarden over het

Sluiten