Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOUDEN APRILDAG.

Een courageuse zon had de laatste schilfers ijs gesmolten en haar adem bhes een broze knop ten leven.

Zij riep veel wonders wakker uit dood en zwijgen: den klaren fijn-gepolijsten roep der grutto's en de blanke bloem der perelaars.

Zij brandde de akkers, dat de gras-dunne scheuten van het versche koren fonkelden in een vloed van trillend hcht; zij bood. gul-prinslijk, haar paarlend bezit aan al wat ter wereld vroeg om vreügd en gloed.

En, o. hoe maakten de vogels de luchten lyrischbewogen, dat de melodieën deinden door de wijdheid der zon-doorstoven ruimten!

Een sterke kievit-wiek sloeg een doffen roffel boven een bloémige wei en zijn kreten vlogen naar her en der als zangerig gemoduleerde brokken metaal.

Een wulp floot zijn kristallen weemoed boven heuvelende heiden uit, waar een adder gleed door het opulente goud en een fonkelende fazantenhaan waaierde met zijn wieken.

En alom dronken de akkers het uitgeworpen zaad: zij dronken het met stillen hartstocht of voelden in hun leden de woeling der planten, die de aarde braken en wild-jeugdig hunkerden naar het alomtegenwoordig, minnend licht.

Sluiten