Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er woeien alree de prille, transparante vanen van berkenblaren en een haas consumeerde een melk-versche, geurige rogge-scheut.

Een haan spreidde zijn veel-tintige vlerken uit, klokte, klokte en toen — plots — wierp hij zijn hel geluid van hoeve tot hoeve als een ver echoënde juichende deun. En andere hanen riepen een sterk en hevig wederwoord en de ochtend stond in den tijd als een vaillant en winnend held, dien geen leed kon deeren.

Rondom zijn hoofd zoemden en gonzelden de bijenbenten en in zijn hart trillerden de tonen der tureluren en zijn kleederen werden zoet-rokig van veel jonge lentegeuren.

En zóó, recht en rijzig gaand, omdanst door den luwen wind, omschenen van vlam en vuur. schreed hij, „ een gezegende, door den grooten, gouden tijd en nam vermoeid ten slotte zijn intrek in het huis van den goedgezinden, kalmen avond, die een bed van kapokken nevelen voor hem spreidde, in de nabijheid van de kim, waar de zon wat opgetogen, wilde kleuren had verloren.

Sluiten