Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SNEEUWDAG.

De dwarreling maakte den dooden dag levend en blij-rhythmisch en zóó bewogen na de starheid van eindelooze uren.

De val der vlokken was veel-verscheiden, al naar zij woonden in het huis van stilte of geagiteerden wind.

Er deinden er op de weeke lucht als Meische trage bongerdbloesems, die aarzelend zegen naar beneden.

Er dwerelden er lustig speels als peluw-vederen, omstuwd door nest-bouwende vogels.

Er zwierden er als blanke kapellen, naar de verre kimmen geblazen door een bries, die uit een schuilhoek sprong, wijl hij zich ennuyeerde.

De bloesems en de peluwvederen en de dartele kapéllen, zij zochten, na warreling en dwarreling, de aarde en vlijden er zich neer, wit, wit, wit als ongeschonden wonderen.

Zij dansten bij de beuken en gingen naar de wijze der vogels rusten op de twijgen, waaraan al knoppen lentlijk zwollen.

Zij heten zich vallen op hoeven en huizen en bedolven de eens als schubben blinkende pannen onder het hcht gewicht van hun slank-ranke leden.

Zij vulden héél de wereld, zoo een blank geluk het hart vult van een stil-blij kind.

Sluiten