Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knappend geluid, alsof iemand vlug achter elkaar dunne twijgjes brak. En als de vogels verzameld zijn, wordt weer haastig het net in orde gebracht, de vanger houdt zich muis-stil schuil en fluit, fluit, fluit, den weemoed-roep der goudpluvieren nabootsend.

Zoo staat hij, uur na uur, dag na dag en het kan gebeuren, dat een vogelaar, als de weersgesteldheid meewerkt en de vogels veel neiging gevoelen den dag op den beganen grond door te brengen, in een seizoen duizenden exemplaren vangt en honderden guldens verdient.

Maar daartegenover staat, dat, als er weinig trek is van pluvieren, de vogelaar maanden en maanden vergeefs de lucht bestudeert, zelfs vergeefs een pluvier-eenling tracht te lokken en, na al de seizoensgrillen van herfst en winter verdragen te hebben, ongetroost naar huis terugkeert.

In elk geval: uit noordelijker streken komen de goud-gevlekte, glanzende reizigers bij duizenden op hun doortocht ons land bezoeken, zoodat in den herfst (èn in het voorjaar) hun weemoedige roep mèt de schrille, schorre meeuwenkreet door de vale nevelen klinkt, of droefgeestig parelt door het goud van een zonnigen September- of Octoberdag.

Er is iets nerveus', iets schichtigs in hun radde vlucht als van wezens, die onophoudelijk worden achtervolgd en wien de onwelgezinde tijd slechts zelden een moment van rust en vreedzaamheid gunt.

Maar mooi zijn ze, ontroerend mooi; fonkelend is hun kleed, maar niet opzichtig; rijk-rustig is de tooi, voornaam en, ondanks de pracht ingetogen.

Sluiten