Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TUSSCHEN LENTE EN ZOMER.

De Meische dagen zijn doorvlaagd van juichend goud en het hjkt, of de landsche vreugden nu eindeloos zijn. Het hcht golft en stroomt van stad tot dorp. van dorp tot gehucht, van hoeven tot hoeven, alom, alom. Het maakt nog ranker en eleganter en zwieriger de teedere berken, die, van uit den trein gezien, staan te dansen op hun lenige teenen en hun blijgevlekte leden zijn overhuifd dooreen transparante weelde van blinkende, babbelende loovers, die den wind hun geheimen vertellen. De berken zijn kinderen en jonge vrouwen, de beuken krachtig-blijde kerels, die sterk, de stoere voeten in den bodem geplant, forsch en onverwrikbaar rijzend, de wijdheid van het land overschouwen, waar het zomert en geurt en bloeit en de vlinders wapperen. De beuken! Als groene heuvels, als bergen van loof, hoog en bol staan ze in de wereld, hun breede schaduwen als een donkere koelte werpend in de lanen, waar de nootjes nu ontkiemen in en naast de kanesporen, zoo armzalig kleintjes schuil zich houdend aan den voet der boomgevaarten. De spechten schieten er in de veilige nestholen en de houtduiven rusten tusschen de twijgen of zitten er op hun onsolide, dikwijls doorzichtig nest met de één of twee eieren. Nog iederen ochtend hoor ik vanover de

Sluiten