Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEIDEBRAND.

Boven de beide, die dezen dag tot verre, verre kimmen als een bruine, bloemlooze dorheid lag, sidderde het hartstochtelijk zonnelicht.

Door het knisterend kruid ritselde watervlug een hagedis en op een honderdbochtig paadje zag ik een luie slang, die leek op een verloren voermanszweep.

In de berken, waar de groene bladervaantjes woeien ■— bij wijlen blies een wind een iuchtigpijpend melodietje — floot een merel een klaatrend niemendalletje. Twee roodborst-tapuiten troonden als teedergetinte, rustige beeldjes op twee sparren, die recht rezen uit den dorstenden heidebodem: heuvelen, groen en onduleus....

De lucht blonk blauw van oost tot west, van noord tot zuid, van kimlijn tot zenith: een paarlende stolp vol blanke wemeHichten.

De zandverstuivingen strekten zich als een afgematte, slapende zee van geel en wit, waaruit wervelende stuifselhoozen woeien, wanneer een gevangen bries uit stilte s starre kerker brak....

Geen wattig wolkje, fladderend gelijk > een donzig-weeke peppelpluis, dwarrelde in 's hemels onbewogenheid.

In de hitte zong een zoemend vliegenkoor.... Een koekoek riep, zoowaar, denzelfden naam,

Sluiten