Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERFSTWINDEN.

Jonge paarden, driftig dravend, zoo waren in den schemerochtend 't stormend tal van winden.

Zij snoven en zij brieschten en zij waren ijle schimmen in den grijzen tijd.

Hun hoeven klepten en kletsten op paden hard en door stuivend zand er er was rinkelend beweeg,

n21*' botatea te9en sjofele heidehutten.

Rust, te lang hun ruiter, die hen dwong totdoodsche ingetogenheid, hadden z' afgeworpen in den nacht en zij renden, renden, de manen wapperend, uittartend den klaarder dag tegemoet.

Hun bitse tanden beten knarsend en knerpend t koele ijzer van de toornen.

Hun muilen ritsten t knistrend blad van berk en iep en vlier.

Hallo! Zij holden den dag tegemoet en zij dansten als demonen over 't wijde van de vaalverflenste hei.

ui-Y"^*!" dreunde luid en schaatrend hun blijde klank van teugellooze dieren, vrij, vrij, vrij in het lichter wordend uur....

En boven hen werden, als met zweepen gedreven, de wolken voortgestuwd ...

En vóór hen bogen en zwierden en zwiepten de boomen van hun adem....

Sluiten