Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En onder hen was de aarde, die trilde van den ioffen, barschen hoefslag.

Maar zij, de bandelooze paarden, sprongen >ver heuvelen, stortten zich in delhngs en plonsden ioms plots in de donkre gaping van een poel, die koken ging als een geyser.

Héél even bij wijlen stonden zij stil, maar hun 'elle vaart deed hen buitelen en het was dan, of ;r een log dier woelde door het ruige, ritselende loof der struweelen.

En als zij zich herstelden, zwierden leniger de rank-sterke beenen en hun tanden beten bitser en bun neuzen sidderden van schoone drift....

Maar Rust was middelerwijl gestrompeld naar Je kim en steen voor steen bouwde hij zijn hardgranieten muur....

En de paarden dansten door de uren, die zich rijden tot een eindloos feest van brandende, laaiende vreugd.

Zij draafden en joelden den avond tegemoet, die al wonk bij de kim.

En blind van hartstochten dreef, wat donker in hun leden woelde, fel hen voort, voort, voort...

En, ach, in dollen draf verbrijzelden zij hun koppen tegen de hard-granieten muur.

Zij stortten neer zonder éénen kreet, maar de struiken zaten nog bangelijk als kinderen voor een onweer, neergehurkt achter den breeden rug van een ouden eik....

Sluiten