Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DAUWENDE MAANNACHT.

Van achter de zwarte sparren sloop de dauw nader op witte, zachte paardenpooten.

De lucht welfde grijs-egaal en er was geen hartstocht van éénen wind.

De avond was als een kreukellooze vrede rondom de hoeven, de huizen en de boomen.

Alle daad was dood, alle drift zweeg bloode in de strakke, stille cocon der rust.

Het paars der heiden verkleurde tot berustend donker en de klimmende nevel dronk de witte tinten der berken.

Toen, achter een roerlooze stam, flonkerde een flard van een lampion en moeizaam worstlend hief zich boven de kim een gave maan.

Zij was als een zilveren wiel zonder spaken, als een één-tonig drkefvlak zonder kleuren-fantasie.

Maar <— goedig — sprenkelde zij vlietend, fijn metaal op de boomenkruinen en er waren hoevedaken, die blikkerden als schubbige schilden.

Zij penseelde met blinkende vegen het duister vlak van tusschen ruig struweel verscholen poelen.

De dauw golfde nader, als brak er plotseling een sluisdeur open.

De nevelzee spoelde de wereld vol van kim tot kim.

De maan dreef boven deze weeke waatren: een boei, hchtend en blank.

Sluiten