Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij weefde teeder-zijden draden, als een speelsch kind, dat nog van sproken houdt...

De nacht was zonder melodie en zonder één gerucht....

Toen bij de kim, die — een dijk gelijk — den dauw 'in banden bond, klonk dof de tred van fijne voeten en de nacht werd dra vol joligheid van vlugge trip-trappende stappen....

Boven de nevelzee takte een hertengewei en het scheerde raaklings langs het maangelaat.

Er naderden schuifelende geluiden en vóór mij rees. recht en hoog, den mooien kop driftig heffend boven den nevelvloed, het hert.

Mijn schaduw trilde, het dier stond plotsling pal, sidderde, wendde zijn leden, stortte zich weder in de witte wateren en zwom weer naar den dijk der kim.

Even takte in het verre, vale zilver nog het donker gewei; toen verdween het in de dieper nacht, die weder zonder melodieën was er zonder één geluid.

Maar de maan weefde onbewogen voort, al golfden de nerveuse neevlen nog van de rappe vlucht der wind-radde herte-voeten.

Sluiten