Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TEGEN SINT JAN (24 JUNI).

De wereld heeft verre, verre grenzen, nu het lichte, jolijtige voorjaar is gerijpt tot een zomer, waarin de volbladige boomen sterk staan gerezen, de koppen in de blondheid van goud, dat riekt naar de bloesems der vlieren.

Héél de wereld is stralend thans en de halmen der grassen, de versche scheuten der sparren, de achterzij der frambozeblaren, bloem, blad, dier en ding, zij goudelen en zij zilveren en zij zijn verklaard, of geen leed ter wereld thans meer wonen kan.

De klokjes der dophei bengelen en luiden Sint Jan in; de zonnedauwrozetten flonkeren rood en groenig op vochtige plekken en plat ter aarde gedoken wachten ze spin-geduldig hun prooi: insecten, wier bloed, wier excistentie zij opslurpen en wier harde huid zij versmaden en laten liggen als een souvenir aan den dood.a) De tijd der boschbessen begint het zoo langzamerhand te

') Het wreede in het zonnedauw-gedrag schijnt merkwaardigerwijze niet tot het begrip van het volk te ziin doorgedrongen; anders zou het deze plant niet vlieeenvangertje hebben genoemd: een zoetelijk verkleinwoord waarin noch medelijden met het slachtoffer, noch afschuw voor den carnivoor tot uiting komt. Zelfs schijnt de uitgang te wijzen op sympatie tegenover de excessen der plant.

Sluiten