Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PINKSTERDAGEN.

Hebt ge de akkers gezien en de tuinen en heel de bloeiende wereld? En zaagt ge de golvingen van het licht, dat alle ruimten vol vloeide en zich vlijde aan al wat ter wéreld leefde als een wonder en het verklaarde en gloeiend overtoog ? De Pinksterdagen waren hcht als een blank poëem en zij gingen door den weigenegen tijd als twee bolzeilige schepen, die pas laat, zóó laat, hun havens zochten bij de schemerende kimmen van de naderende nacht.

De tuinen! De aardbeien geurden er en blonken tusschen veel fonkelend groen en de frambozenbloemen werden omzoemd door hommels en bijen en dun-tailhge insecten, waarvan ik misschien later den naam nog wel eens leer kennen. En sjalotten hieven hun groene spiesen omhoog en bislook bloeide er, of uit een groenen egelrug paarse bloesems omhoog schoten. Heel de weelde van een kostelijke groentenkar was er: sla, spinazie, postelein en al die culinaire verleidelijkheden.

En boven de tuinen glansden de blanke zwaluwenlijven, elegante avionnetjes; rank, frank, slank schoten zij schielijk door de gewillige weeke lucht en zij wenden en zij keerden en zij werden niet moe (vermoed ik.) Zij zwierden als een verdwaasd blad door den luiden, boemannenden herfst.

Sluiten