Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij dreven rustig een ander maal als een plat plompeblad op een egaal watervlak, zij joelden en zij tetterden en zij kwetterden heel sappige, levende geluidjes.

Op een sparrentop, op dezelfde nieuw-gevormde scheut den heelen dag bijkans, floot een gekraagd roodstaartje zijn intimiteitjes, waarvan het zoet gerucht tot in mijn woning drong en even later vloog hij, terwijl de zon flonkerde op zijn sneeuwigblank schedelkapje, met fijne vlinderlichte veeren naar een donkere opening van een houtmijt en rondde en plooide, schikkend en verschuivend, daar een veilig nest, waar geen regendrop ooit naar binnen zou kunnen spatten. Dan vlinderde hij weer weg en trilde met zijn roode, nerveuze kwikstaartenstaart.

Uur na uur, zwervend door veel goud en nijver op zoek naar buit: pieren, die zich schuil hielden bij de roode klaverpollen en den voet der paardenbloemen of fijn-kantige grassen, — zoowaren de spreeuwen in de weer, die niet meer zorgelooze deunen naar her en der wierpen, maar krijschten als een verontwaardigde meerkol, wanneer een fluweelen kat rond-cilinderig door den blonden dag gleed.

En de musschen waren ijverig méde en het: spijt me, dat ik eens in de krant kwaad van hen heb gezegd en ik haast me daarom, om hen te rehabiliteeren, want voor hun jongen zochten ze uit mijn appelboom allerlei sappige rupsjes en beestjes met kriebehg-kleine gazen vleugeltjes.

De ■— ronde — kleine terts van het stemgerucht der koekoeken riep gave gaten in het vastaaneengesloten, maar toch zoo gezeggelijk goud.

Sluiten