Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat tusschen hemel en aarde als een rimpellooze zee lag, die bij wijlen werd bewogen door een bolle bries. En dan waren er insecten, die fonkelden en zweefden en dansten, die lieve dagen lang, en zich heten leven en niet maaiden en niet zaaiden en niet aten (misschien). En boven de gonzende benten, die misschien zelfs niet eens aten, waaiden en wapperwiekten de vlinders, die als geagiteerde bloesems stoven boven de tuinen, waar de teedere bloem der erwten blankte en de dofzilveren en koper-groene en bronzen en violette meideblaren bangelijk, omdat ,zij onkruid waren, zich verscholen achter overdadigen rhabarbergroei en enthousiast loof van aardappelen.

De hagedissen heten zich door een zoel zonnetje stoven, het wollegras blonk met zijn kapokken pluimpje op den hoed en over de rails rolden de stampende treinen en zij waren als benauwde vaten. En de haringen waren de menschen, die hun pot verteerden of naar hun oome of hun opoe reisden om den goeden menschen een bezoek te brengen of hun nieuwe jas of hun nieuwe blouse te laten zien en hun leven, dat zij blijkbaar niet hef hadden, waagden in de benauwenis van tjokvolle coupé's, waarin misschien ook nog kinderen huilden en drensden.

Sluiten