Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die uit in babbels en brokkels, in gave, gladde tonen of van verlangen sidderende verhalen.

Een spreeuw zat naast den schoorsteen en \ hij klapte als een enthousiast kind met zijn wieken en de kostelijkste deunen, die hij ooit had gehoord, reeg hij aaneen tot een geestige potpourri: fragmenten uit het repertoire van kieviten en wulpen, vinken en graspiepers, zelfs van hanen en last not least: fluitende slagersjongens. Maar al was erin zijn hed geen eenheid en al was zijn voordracht niet beheerscht, wat gaf hij niettemin een naïeve, opgewekte volkskunst te genieten 1

En tegen eerr**boom geplakt zat een specht en zijn kapje van karmijn en zijn groene vedertooi, zij fonkelden in het jonge, versche hcht. Even bleef hij in zijn rustige houding ; dan wierp hij zich in de glanzende golven van het alomtegenwoordig goud, deinde op en neer en pauzeerde eindelijk, lachend en schaterend, in de holte van een kopergroenen beukenpijler.

Maar, o, de merels 1 Zij troonden in het wijde, geurige land, waar de winden zoo ijl en luchtig fladderden, alom op de glanzende sparretoppen: zwarte beeldjes met een héél levende, zingende ziel, die hunkerde naar een melodisch antwoord. Zij staarden de wereld over, waar het voorjaar woonde: bij de donkere boomgroepeeringen, die als duistere granietblokken rezen uit het lager land en omspoeld werden door een zee van dun, blond hcht; bij de elegante, schilferende berken, waar al fijne vaantjes wapperden, transparant en geaderd als een vlinder- of libellenvleugel; bij de helle zandstuivingen en de onduleuse, blanke duinen.

Sluiten