Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren er, die hun hchamen in een martelenden, tot het uiterste ingespannen, loondienst, hebben moe- en loomgewerkt en in hun oogen floerste leed en ze zaten te peinzen over een ver land, dat ze naar zich toe trachtten te halen, maar het was zoo moeilijk, want een oud, moe mensch denkt traag.

Een leehjk verfomfaaid kereltje, zoo was de mandril uit West-Afrika en hij stak z'n handje, z'n glacé-handschoenen-handje, onder de trabes door en bedelde als een verlegen mensch, die .schuw een gave vraagt, om een versch, geel scheutje si» en een radijsje, dat zoo pittig kriebelt op de tong.

En dan was er nog zoo'n beeld van ellende: een trieste Javaansche maraboe, die in z'n zwarte gekleede jas door z'n gevangenis droef-filosofeerend heen en weer liep en allicht dacht aan een héél ver land en gaarne — denk ik — de Hollandsche voorntjes zou geven voor de kostehjke vrijheid.

Maar het meest ontroerden me twee tijgers en de herinnering aan hun nerveus, onophoudelijk heen-en-weer loopen tusschen de benepenheid der muren, is me nog een obsessie. Dat was de gejaagdheid en de ellende, waarvan de dieren zich niet bevrijdden door een gil, een schreeuw, een daverende kreet van wanhoop. Ik kan me vergissen: de dieren gevoelen het misschien anders dan ikzelf het aanvoel, maar het leek me of hun wanhoop geen uitweg kon vinden en dat ze zwijgend duldden en droegen. Zoo moeten Russische intellectueelen zich hebben gevoeld onder het czaristische regiem, wanneer misdadige haat

Sluiten