Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huiverde ruimten en wijde wateren, tot haar zonneglimlach en haar windekastijding, want zij, moedermild, is den geslagenen en eenzamen, den gedeerden en gehavenden teeder troosteres.

Zij wacht, terwijl de steden rooken en .rumoeren bij de kimmen, dat haar zieke kinderen, die baar amper meer kermen, tot bezinning komen en de streeling van haar armen weer zoeken en deel weer hebben aan het pure openbloeien der prille lente, den sterken leefdrang van den rijpen Zomer, de bronzen vreugd en windedavering van den herfst en de lijdzaamheid der witte gedweeë winters. -

Wij, nerveuze modernen, zijn pijnlijk ons in schrijnende momenten bewust, dat het worden der seizoenen, het wisselen der getijden, de ontroerende groei van plant en bloem, het leven en streven der dieren zich voltrekken, zonder dat onze harten en onze zinnen de eeuwig-bloeiende wonders fel en innig mede beleven. Wij hebben een teedere hand losgelaten, die wij niet meer vermogen te grijpen en wij werden dolers en ontberenden, wier kracht zwakker is dan de heftig-trekkende magneten der steden. Een paradijs verloren we: de bloesemende, golvende heiden, de wijde spanning der welvende, bewogen luchten, de bloemrijke, ver-kimmige weiden en de rust of rebellie der egale of steigerende wateren.

Dit is de droefheid, die heviger nu, minder bewogen dan, maar immer als schrijning aanwezig, onze harten doorhuivert en doorvlaagt.

Een hemel konden wij niet winnen met ons jachtig, zinloos-haastig, dikwijls bedroevend-materialistisch streven en onderwijl verloren wij boven-

Sluiten