Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien het rijk bezit eener bloeiende, levende aarde, waarvan wij niet langer levende leden zijn.

De geuren en dampen der aarde wekken niet meer, als in een meer harmonische periode, innige gevoelens van verwantschap met bodem, luchten water. Het begrip natuur kunnen wij niet meer aanvoelen als een aandoeningen wakker roepende wezenlijkheid ; het werd, generaliseer end gesproken, steeds meer een morsdoode abstractie, een verstandelijke term uit een dor boek, bloesemloos en zonder geur en kleur, missend bewogenheid en nevel-fijne nuances.

Generalis eerend gesproken: want de liefde voor de aarde, de genegenheid voor het landsche bestaan, zij uiten zich in de steden in het zorgzaam kweeken van een bloem in een pot bij het raamkozijn, den aanleg van een poveren, maar hoe beminden tuin tusschen de schaduwige donkerte van samendringende huizenblokken, die als een dreiging staan rondom de verlegenheid van wat zich nog wist te handhaven als een brokje natuur. En ook dit demonstreert het gevoel van natuurontbering : het houden van een vogel in een kooi, een lief-poover surrogaat voor een kwinkeleerend bosch, een tierelierende hei.

Maar dit is, de laatste jaren bovenal, een verblijdend weten, dat men hoe langer hoe meer, nu telkens de steden zich uitbreiden en het gebied der velden bedreigen, instinctief eri klaarbewust beide, niet gedoogt, dat de stad mir nichts dir nichts het land annexeert, maar dat men er naar streeft ruim de pleinen te houden, breed destraten, met gereserveerd terrein voor tuin- en parkaanleg, opdat de vogel niet schuw de stad zal

Sluiten