Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijden en opdat jong lentegroen moge vlinderen en bloesems stuiven over de straten, wanneer het jonge jaar koninklijk en hcht door den grooten tijd voortschrijdt. Niet de groote overgave aan de natuur, niet een durvend breken met wat in den loop der eeuwen gewoonte werd, en een volledige terugkeer tot de moeder, die eenzaam is gelaten evenmin, is dit zich laten leiden door de overweging, dat toch iets: een groenend, bloeiend park, een kleurige tuin vol bloemen, een rij van boomen, moet herinneren aan de dagen, toen aarde en mensch, als ondeelbare eenheid, samen ademden, samen leden en streden en de verheugingen van den een de verblijdingen tevens waren van den ander. Maar toch: het is een zich meer en meer bewust worden, dat de duurzame scheiding van de goede aarde, het landsche leven, zich wreekt in den loop der dagen; de hunkeringen van het hart des modernen stedelings gaan uit, niet met voldoende stuwende hevigheid, maar toch met verblijdende intensiteit, naar zijn eerste innige liefde: de wei, de hei, den akker; de venen, sompen en zeeën. Maar krachtiger zijn nóg — ik zeide het reeds — de trekking van de magneten der steden, sociale plicht en norsche noodzaak, die den gloed van vee! verlangens dooven, doen berusten en zich met verbeten smart onderwerpen.

De steedsche parken! Zij zijn de oasen, de groenende, flonkerende eilanden der rust, die zich uitstrekken — indien een benepen ruimte zich kan uitstrekken — tusschen de fel-geruchtende, schuimende en daverende golven van geluid der stad. En het zijn deze parken, die de toevlucht zijn van de grijsaards en de eenzamen, de gebrekkigen

Sluiten