Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

openstonden, en die ongetwijfeld wel tot raadslid zou worden benoemd, nu er, door het sterven van Pieter de Mey een vacature in den Baad was gekomen. Het was de beurt van zijn Vader, om een candidaat aan te wijzen, en hij vermoedde, dat zijn Vader, met voorbij-gaan van zjjn eigen zoon, de benoeming van Allert zou favoriseeren. Hij vermoedde dit met bijna volkomen zekerheid. Hij hield er zich onverschillig onder, natuurlijk; maar hij voelde het duidelijk, het kwetste hem toch, hoewel hjj nooit geambieerd had, zitting te nemen in het bestuur der stad, en van al die deftigheid en grootwaardigheid niets moest hebben...

Eén ding had hij met zjjn Vader gemeen; diens patricischen trots. Hij had er een intieme zelfvoldoening in gevonden, dat zjjn Vader het praedicaat van jonkheer, toen hem dit was aangeboden door den Koning, die een provinciale ridderschap wilde scheppen, en dit volgens de grondwet ook móest, geweigerd had met de fijne woorden:

— Ik dank u, Sire, voor de eer der onderscheiding, maar ik ben een oud man, en kan dus niet wel een jonk heer worden.

O, hoe hadden zij gespot met de Amsterdammers, die deze verheffing in den adelstand wèl graag aanvaardden, en gespot met de éénige familie in Rotterdam, die had toegestemd. De aristocratische Rotterdamsche familiën hadden immers genoeg aan de oude, voorname waardigheid van hun geslacht, en behoefden het goud van een kroontje

Sluiten