Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontwaar ik naast haar twee, —

Twee nymphen, schoon, als ver

Daarginds die dubbelster!

't Zijn Keetje en Aagje, welbemind

De eerste reeds vrouw, een kind

Nog de aar, — gelukkig wie

Haar eens, in sympathie,

Naar 't altaar voert. Maar zie!

Die fijnste en zoetste bloem,

Die 'k Jetje Robbrechts noem,

Zij, aller nymphen roem!...

En 't edel aangezicht,

Beschenen door Gods licht,

Van Antjes trotschen bouw,

Zij, wonder van een vrouw,

Door ieder hoog vereerd!

Ontwikkeld en geleerd. —

Als over 't water scheert,

Een vogel, blank-geveerd,

Door 't leven niet gedeerd!

Ach, maar haar schoon kleineert

't Door ieder gewaardeerd

Camietjen, — onberedeneerd,

Wordt die gansch door haar overheerd,

To... taal... ge... ë... clip... seerd!...

Een daverend gejuich en handgeklap barstte los, toen Lodewijk, een beetje bleek, een beetje geënerveerd door de lange geestelijke inspanning, was gaan zitten, en met zijn grooten, wit-linnen zakdoek langs zijn voorhoofd wreef. Lachend werd hij door zjjn vrienden, en door de meisjes gecomplimenteerd, behalve door Camietje, die was opgesprongen, en quasi-boos riep:

— Stouterd! ondeugende jongen! Je moet 't maar van je famillie hebben! en zoo allerliefst pruilde, dat Cornelius om haar te troosten, zijn arm om haar heen sloeg:

Sluiten