Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Stil maar, stil maar, Camietje-lief, ik kan je toch wel heel goed vinden, hoor, — je ben in 't geheel niet zoo'n schim als Lodewgk wil doen voorkomen, Camietje, plaagdehij,integendeel! integendeel! klein dikkertje!

— Foei! riep zij, ik vind je niets aardig, hoor! maar hij hield haar bij haar mollig handje vast, en om het weer goed te maken, drukte hij twee-driemaal een kus er op. En toen hij haar lief kindergezicht zoo vlak bij het zijne zag, kon hij den lust niet weerstaan, en boog zich snel, en kuste haar op de zachte, warme roode lippen.

O, jij! riep zij, en snelde den tuin in,

maar liet zich natuurlijk gewillig achterhalen, en nog eens en nog eens kussen, totdat zij rood en verlegen weer bij het gezelschap terug-keerde, dat, gelukkig, nog te veel verdiept was in de critiek op Der Zeeën Winste, om veel notitie van haar te nemen.

— Improviseeren is niets dan 'n kwestie van snel denken, zei Claude.

— Je moet toch knap kunnen rijmen, zei Cornelius, ik zou 't 'm niet nadoen, ik improviseer liever op m'n viool.

—- Hg heeft zich tweemaal vergist in de lengte van de regels, zei Allert. Eens aan 't slot bg die lange zin over Camietje...

— Ja! ja! dat weet ik natuurlgk wel, dat deed ik expres, riep Lodewgk.

— ... en eens bij: Keetje en Aagje welbemind.

— Tk vraag me af, zei de regent, en hij zat heel ernstig en gewichtig in den houten Zeeuwschen

Sluiten