Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ongelijk verdeeld in de wereld, dat Cornelius voor zóó een kleinen dienst, dien hij Joost had bewezen, zóó vorstelijk werd beloond. Hoe vaak had hij, Claude, Joost niet uit de verlegenheid geholpen, hem, die immers voortdurend op zwart zaad zat. Joost had daar waarlijk wel eens aan mogen denken, en hèm ook de een of andere schenking doen, bjjvoorbeeld een boerderij. Als daar een beetje een goed huis op stond, kon hij Keetje, met het kind, dat straks zou geboren worden, 's zomers daarheen „naar buiten" sturen. Dan was hij eens een tijdje-lang vrij. Want die Keetje verveelde hem geducht met haar verwjjten en haar zure gezichten. Hij was verliefd geworden op haar zedig, onschuldig bekje, en had zich stellig verbeeld, haar altijd en heel gemakkelijk naar znn hand te kunnen zetten. Maar o, wat was hem dat tegen-gevallen. Bij het minste wat Keetje in hem niet beviel, werd zij koppig en stug, en had geen lief woord voor hem over. En hoe was zij in dien korten tijd van uiterlijk veranderd! Verleden jaar nog was zij een van de fijnste en bloeiendste meisjes uit haar kring, nu was zelfs Aagje knapper, Aagje, met haar frisch, rondblozend kopje, en vriendelijke oogen. „Bleeke Keetje" noemden zijn vrienden haar, en, al wist hij, dat zij het zeiden om hem te plagen, sapristi, wat was hem dat onaangenaam ...

— ... in September zei Cornelius, denk ik er eens 'n tijdje heen te gaan. Er is 'n uitgestrekt jachtveld bij met hazen, snippen, patrijzen.

En hij dacht, en het werd hem warm om het

Sluiten