Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goeden-nacht te zeggen, vóór hij weg wandelde met Antje. Die schat van een Ueveling!...

Hij greep haar aanstonds bij een harer kersroode linten, die van het ranke middeltje haar na-fladderden, en hield het vast, terwijl hij zich even nederzette op de balustrade. En vroolnk fluisterde hij:

— Zóó van me weg-loopen, Jetje? Zóómaar, zonder nachtzoen? Foei!

Bekoorlijker dan ooit, in haar diepe verlegenheid stond het meisje voor hem. Zij droeg een geheel wit japonnetje; het korte, ruim-geplooide lijfje werd op de schouders vast-gehouden door kersroode strikken, en uit de korte ronde mouwtjes viel een smalle strook van kant over den blanken boven-arm. Om te stelen, zag zjj er uit, nu zij beschroomd als een kind tastte naar het roode kralen-snoer om haar hals ... en ... wat moest hjj nu met haar?

Zijn lippen openden zich van verlangen, om een zoen te drukken op het zachte, warme blank van haar hals ... o, hij zou, hij wilde...

Maar hij beheerschte zich met kracht. 0, neen, dat mocht hij niet, waar hij immers geen enkele 'ernstige bedoeling had met haar... Hij luisterde nauwelijks naar haar gestamelde woorden: dat het zoo mooi was hier-buiten... en dat in Amsterdam zij nog nooit zóó de pracht van den zomernacht had gevoeld... en dat zij daarom, onwillekeurig, even voor het open raam was gebleven ... omdat het uitzicht daar zoo heerlijk was op den vijver, waarover het maanlicht zoo

Sluiten