Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aller afschrik was, sedert hij hen door de tierceering bijna tot den bedelstaf had gebracht. En toen Annemarie den grooten zak van tapijtgoed wilde openen, die al gereed stond, om morgen op reis voor de trekschuit naar Amsterdam door haar te worden meegenomen, om de doos erin te doen, zei de moeder:

— Jij trekt die kousen morgen maar aan, dan kom je knap in de kleeren bij je tante.

— Aantrekken? aarzelde Annemarie.

— Ja, besüste de moeder. En de doos gebruik jij maar als naaidoos, dan héb je d'r tenminste nog wat aan ...

IH.

In een zwijmelroes trachtte Cornelius zgn verdriet om het afscheid van Annemarie te vergeten. Hg was naar Aechtenskerke vertrokken; daar had hij een jachtgezelschap uitgenoodigd, en hij jaagde en reed en roste den heelen dag, zoodat hg 's nachts in een diepen, langen, gezonden slaap vergetelheid vinden kon. Niet alleen om afleiding te zoeken, vond hij het noodzakelijk, dat hg eens een poosje weg was uit Rotterdam, maar vooral ook omdat hg vreesde, dat zgn teleurstelling omtrent Annemarie hem tot een onberaden stap met een ander meisje zou leiden. Want, o, hg voelde het duidelijk, hoe graag hij nu troost zou hebben gezocht bij Jetje Robbrechts, of verstrooiing in een aardig, luchtig spel met kleine Camietje of in den roekeloozen durf oin Allert Ruys voor

Sluiten