Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knecht en koetsier. En langzaam met gebogen hoofd, liep hij achter de tuinen van de Schiekade om en opende het tuinpoortje.

Hij trad door den bloeienden tuin, langs de hooge fuchsia-stammen, waar de trossen wit-roode, paars-roode, eigenaardig sierlijke bloemen neerhingen in weelderigen overvloed; langs de kleurige bedden van vlamgele afrikanen en purperen balsamienen... daar kwam hij voorbij den grooten zilveren bal, op het zorgvuldig-gemaaide grasveld... hij kon de wilde stralen-schittering van de zon in het spiegelend zilver niet aan zjjn vermoeide oogen verdragen ... hjj legde de hand ertegen met een diepen zucht.

Zjjn stap weerklonk op het ronde steenen bordes voor de tuinkamer. Het geluid werd binnen gehoord, en een vrouwelijke figuur opende de glazen deur. Het was Kaatje, de kamenier, met een rood beschreid gezicht en dik-omwalde oogen, die hem een oogenblik verschrikt aanstaarde:

— Jongeheer! riep zij, mijnheer!

— Schrik je zoo van me, Kaatje, vroeg hjj zacht. — Verwachtte zij hem niet... hóórde hjj hier dan niet... ?

De oude vrouw barstte in snikken uit, en greep zijn hand.

— Wat ben ik blij, dat u hier is, dat u hier tóch is, mijnheer... Mijnheer van Maugarny en mijnheer Ruys hadden order gegeven ...

Claude! Allert en Claude hadden hier het heft in handen genomen, en hij! de zoon!...

— ... om u niet toe te laten, ja, mijnheer!

Sluiten