Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nou ben ik zoo blij, dat u er toch is, mijnheer, voor m'n arme mevrouw. Zij zit daar maar als een beeld, de ziel, en wil niemand bij zich hebben, en ik zeg tegen mevrouw Keetje, en ik zeg tegen juffer Aagje, gaat er toch eens heen, na uwes Ma,, zeg ik, maar ze willen haar niet contrarieeren, zeggen ze... o, mijnheer, gaat u er naar toe, want wat er van worden moet, dat weet ik niet.

Diep ontroerd hoorde Cornelius naar de oude vrouw. Met zware, moede beenen, ging hij de breede trappen op, die hij de laatste maal na het onverzoenlijk woord van zijn vader was afgestormd in hartstochtelijke drift. De drukkende stilte, de gedempte schemer verstikten hem den adem. En in zijn ziel woelde een wilde onrust, alsof hij, na het ontzettendste gehoord te hebben iets nóg ontzettenders hooren kon ...

Hij opende de deur van zijn móeders kamer. De diepe duisternis verblindde hem, en tastend zocht hij zjjn weg ... in een snakkend verlangen, om zjjn moeder troost te geven, om bij haar troost te vinden ...

— Moeder! riep hjj gesmoord.

— O, kind! antwoordde haar stem, met hetzelfde snakkend verlangen: kind!...

In het volgende oogenblik omvatten haar zijn armen en had hjj haar met innige kracht aan zijn borst gesloten. Toen voelde hij, hoe haar geheele lichaam sidderde, en hoe versteend-koud haar gezicht en haar handen waren. Met vertwijfelde hevigheid omklemde zij hem, niet in

Sluiten