Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seerde drijfjacht te paard, hij zag zich zóó, te midden van een mnziek-gezelschap, hij zag zich zóó, in zijn hniseljjken kring, zoodat hij soms met een bruusk gebaar zijn kleinen jongen van zyn knie kon schuiven ... altijd zag hij zich als een jammerlijk man, als een man, die alle hoop heeft verloren ...

Hij was niet gelukkig, Cornelius. Niet gelukkig in zijn huwelijk met Annemarie, waarvoor hij zóóveel op het spel had gezet, zóóveel had getrotseerd. En ook haar had hij niet gelukkig gemaakt. Te veel was hij het altijd gewend geweest, om zyn eigen wil te volgen, en zich niet te bekommeren om de gevoelens, de wenschen van anderen. Zelfzuchtig ging hij zijn eigen weg; en in de momenten, waarin hij tot inkeer kwam, besefte hij toch heel sterk, dat hij, gegeven zyn natuurlijken aanleg, niet anders kon doen dan hij deed...

En juist in dezen tijd van wankelmoedigheid, nu hij zooveel had kunnen hebben aan den verstandigen steun van Annemarie, werd deze ziek: zij verwachtte weder een kleintje, en de geboorte van het kind scheen ditmaal van complicaties vergezeld te zullen gaan. En toen op een dag Cornelius neerzat in de woelige en toch zoo eenzame huiskamer, en hij duidelijk voelde dat er een zenuwziekte bij hem dreigende was, toen verscheen, en hij zag haar als een reddende engel, Jetje Robbrechts in zijn huis, en zeide hem met haar lieven eenvoud, dat zjj van de ziekte zijner vrouw had gehoord, en of zij ook helpen kon ? ...

Sluiten